donderdag 4 november 2010

Een Vermaat als hoorndrager

(de notariële akten waaruit wordt geciteerd, zijn afkomstig uit het Streekarchief Voorne-Putten en Rozenburg - Nadere toegang op inventarisnummer 1178 van toegang 110)
Leendert Andriesz Vermaat (* 8 november 1762, de jongste zoon van Andries Ysaaks Vermaat, die schepen was van Naters en Pancrasgors) trouwde op 23 december 1787 in Rockanje met de toen 22-jarige Arendje Evertsdr Beijer (* 13 januari 1763). Beiden waren in Rockanje geboren. Blijkbaar was dit huwelijk een “moetje”, want al op 10 februari 1788 werd hun zoon Jacob geboren.
Waarschijnlijk is er geen sprake van wederzijds geluk en dit ontstaat ook niet tijdens hun huwelijk. Al in datzelfde jaar scheidt het echtpaar van tafel en bed, een in die tijd hoogst ongebruikelijke gang van zaken. De rechtbank wijst het kind toe aan de moeder (mogelijk omdat het om een zuigeling ging) en bovendien ontvangt ze zowel alimentatie als een obligatie op het bezit van haar schoonvader Andries Ysaaksz Vermaat:

[27-12-1788]
Arentje Beier, gesepareerde huisvrouw van Leendert Vermaat wonend onder Rockanje, machtigt de advocaat Arent van Andel tot jaarlijkse ontvangst van hetgeen haar voor alimentatie van haar kind door het gerecht van Rockanje is toegewezen en tot ontvangst van de rente op een obligatie van f 700 ten laste van Andries Vermaat onder Naters. Getuige Dirk Zegelaar.

Die f 700,- waren fors meer dan het derde deel van zijn moederlijk erfdeel, waarop Leendert recht had sinds het hertrouwen van zijn vader in 1784:

[14-10-1784]
Andries Vermaat wonend onder Naters en Pankrasgors testeerde op 24-1-1757 (notaris Daniel Rolandus) mutueel met zijn inmiddels overleden huisvrouw Sara Kwak. Er zijn drie kinderen: Jannetje Vermaat, huisvrouw van Leendert de Baan te Rockanje, Isaak Vermaat, weduwnaar in Naters, en Leendert Vermaat, 22 jaar. Nu hij gaat hertrouwen stelt comparant het moederlijk erfdeel van de drie kinderen samen op f 1500. Aan de dochter transporteert hij hiervoor de helft in 19 G 18 R onder de Nieuwe Goote in de Sluishoek op nr. 11. Isaak krijgt een onderhandse obligatie. Het erfdeel van Leendert blijft tot diens meerderjarigheid onder comparant. Getuigen Pieter Klompenhouwer en Joost van Sina.

Voor Arendje lijkt de buit binnen. Dat is echter maar van korte duur Blijkbaar doet de door Arendje aangestelde procureur Arend van Andel zijn werk niet naar haar tevredenheid, want zij wisselt hem in voor Johannes Spenciers:

[20-10-1789]
Arendje Beijer gesepareerde huisvrouw van Leendert Vermaat wonende Rugge herroept de procuratie als door haar Mr. Arend van Andel advocaat binnen den Briel werd verstrekt en machtigd thans Johannes Rudolphus Fredericus Spenciers wonende alhier om van gemelde Arend van Andel terug te vorderen alle documenten, welke deze onder zich had in verband met haar separatie van haar man.

Maar ook die situatie brengt geen rust, of Arendje werd geleid door een vooruitziende blik. Op 12 november 1790 bevalt zij namelijk van een kind, dat Jannetje wordt genoemd. Maar wie is de vader? Daarover laat zij geen twijfel bestaan: binnen tien dagen na de geboorte laat ze haar procureur vastleggen hoe de vork volgens haar in de steel zit:

[22-11-1790]
Compareert Arentje Beier, gesepareerde huisvrouw van Leendert Vermaat, wonend te Brielle. In februari kwam zij te voet van Dirk van Bergen in de Tinte over het land naar de woning van Abraham Rietdijk, waar zij woont. Zij trof daar haar ex-man die allervriendelijkst vroeg of zij toch maar weer met wilde gaan samenwonen. Met allerlei beloften heeft hij haar zover gekregen dat zij ter plekke op het land ´vleselijke conversatie´ hadden. Uit deze gemeenschap is op 12-11 een dochter geboren. Zij verklaart dat geen ander dan Leendert Vermaat de vader van dit kind kan zijn.

De volgende stap is uiteraard het kind te laten dopen. De bedoeling van Arendje is om ook dit kind de naam Vermaat te laten krijgen. Er is immers enig bezit in haar voormalige schoonfamilie.
Blijkbaar kreeg Arendje niet meteen haar zin en werd er binnen de kerkeraad van Rockanje over de doop vergaderd. Mogelijk trad er wat vertraging op doordat Rockanje op dat moment zonder predikant zat. Het bericht kwam in elk geval ook terecht bij de vermeende vader, die eerst de kerkeraad van zijn kant van de zaak op de hoogte stelt:

[7-2-1791]
De 1e nts wordt verzocht namens Leendert Vermaat bouwman wonende aan de Quak zich te vervoegen aan Adrianus Groenevelt oudste ouderling van Rockanje, vermits de vacature van de predikantsplaats, als president van de kerkeraad van Rockanje en deze aan te zeggen dat Leendert met uiterste verwondering vernomen heeft dat Arendje Beyers wonende Rockanje, ofschoon zij reeds in 1788 bij verbaal van het gerecht van de Quak gepasseerd wettelijk gesepareerd zijn van tafel in bed, in november j.l. is verlost van een zoon, voor te geven alsof dit kind door de insinuant zou zijn verwekt en wil het kind eerlang laten dopen met zijn naam. Hij heeft na gemelde separatie nimmer meer met Arendje gecohabiteerd of enige gemeenzame conversatie gehouden, zodat hij de vader niet kan zijn. Hij verzoekt de nts aan te zeggen, dat het kind niet op zijn naam mag worden gedoopt. De nts heeft op 12 dezer de insinuatie aangeboden. Getuigen Kornelis Gorseman en Jan Vijfwinkel.

Merk op dat de verklaring spreekt over “een zoon”, terwijl we inmiddels weten dat het om een dochter moet gaan. Weet Leendert dit echt niet of houdt hij zich met opzet van de domme, om daarmee iedere schijn van bekendheid met de bezigheden van Arendje re vermijden?
Blijkbaar weet Leendert niet alleen de doop van Jannetje te verhinderen. Hij eist nu ook een echtscheiding (voorheen was er slechts sprake van een scheiding van tafel en bed), waarschijnlijk op grond van overspel. Beide ex-partners brengen een procureur in stelling:

[2-5-1791]
Leendert Vermaat, bouwman onder de Kwak, machtigt de procureur Jacob Jans Kluit te Brielle in zijn zaak als eiser van echtscheiding contra zijn in Rockanje wonende huisvrouw Arentje Beiers.

[16-5-1791]
Arentje Beier, gesepareerde huisvrouw van Leendert Vermaat, wonend te Rockanje machtigt Johannes Rudolfus Fredericus Spenciers, procureur te Brielle, in al haar rechtszaken. Getuige Hendrik Leisenaar.

De procureur van Leendert gaat op zoek naar getuigen en weet die ook te vinden. Blijkbaar is Arendje, nadat ze uit het huis van Leendert is vertrokken, gaan inwonen bij Abram Rietdijk. Tot Baafmis (1 oktober) 1790 heeft daar Abraham de Pijper ruim 3 ½ maand als knecht gewerkt en ingewoond (dus vanaf ongeveer half juni). Hij verklaart dat hij Arendje en Abraham uit de bedstee van Abraham heeft zien klimmen:

[5-11-1791]
Abraham de Pijper JM tussen de 17 en 18 jr wonende in de St Annapolder attesteert tvv Leendert Vermaat bouwman wonende onder de Quak dat hij gedurende 14½ week heeft gewoond als knecht bij Abram Rietdijk bouwman wonende onder Rockanje en dat hij op baafmis 1790 daarvan vertrokken is. In die tijd woonde mede daar Arendje Beijers huisvrouw van de requirant. Hij heeft op een zondagochtend gezien dat de voornoemde Abram Rietdijk met Arendje Beijers tezamen kwamen of opstonden uit hetzelfde bed, hetwelk lag in een bestede op een kamer, waarop men uit het zogenaamde voorhuis met 2 of 3 trappen opgaat. Hij heeft hen toen uit die bestede zien klimmen.

Deze verklaring kan niet als bewijs dienen voor het vaderschap van Abraham Rietdijk (het kind moet immers rond februari 1790 zijn verwekt), maar het feit dat Arendje bij Abraham in bed ligt helpt mee om die indruk te wekken. Veelzeggend is bovendien dat de getuige dit op een zondagochtend heeft gezien, daarmee de indruk wekkend dat het paar blijkbaar iets anders te doen had dan zich geestelijk voorbereiden op de kerkdienst.
De procureur van Leendert heeft echter nog een andere getuige weten te vinden. De uitspraken van Arendje Roeloff gaan nog veel verder. Zij verklaart dat zij op 15 oktober 1787 als dienstmeisje is gaan werken bij Abram Rietdijk en daar is gebleven tot mei 1788. Vervolgens heeft zij daar nogmaals gewoond van 3 januari 1789 tot ongeveer 16 september 1789. In die tweede periode had Arendje Beijer niet alleen een verhouding met Abram Rietdijk, ze is ook bevallen van een zoon:

[5-11-1791]
Arendje Roeloff JD oud ca 20 jr en wonende als dienstmaagd bij Leendert Droogendijk binnen den Briel. Zij attesteert tvv Leendert Vermaat bouwman wonende onder de Quak dat zij als dienstmaagd heeft gewoond ten huize van Abram Rietdijk bouwman onder Rockanje. Zij is daar voor de 1e maal komen wonen 14 dagen na baafmis in hetzelfde jaar als de requirant in de volgende winter met Arendje Beijers is getrouwd. Zij heeft daar toen gewoond tot de maand mei van het volgende jaar. Zij is voor de 2e maal bij Rietdijk komen wonen 2 dagen na de daaraanvolgende nieuwjaarsdag en toen gebleven tot ca 14 dagen voor baafmis daarna. In de tijd dat getuige voor de 1e maal bij Rietdijk woonde was daar mede als meid aanwezig Arendje Beijers en dat de requirant toen over dezelfde Arendje vrijde of verkeerde. De reqirant en Arendje Beijers hebben nadat zij getrouwd waren, hun intrek genomen in een huis, hetwelk in de nabijheid van het huis van Rietdijk was gelegen en welk huis toen bewoond werd door Engel van Dintel, die gehuwd met een zuster van Arendje. Gedurende de tijd dat getuige voor de 2e maal bij Rietdijk werkte woonde Arendje daar ook die zwanger was en vervolgens te huize van Rietdijk in de kraam is bevallen van een zoon. Zij heeft toen gezien dat Abram en Arendje bij dag tezamen gingen op de kamer waarop men met 2 of 3 trappen in het zogenaamde voorhuis opgaat en dat dezelfde mensen in die tijd ook verscheidene nachten in de keuken op een en het zelfde bed geslapen hebben. Toen zij voor de 2e maal bij Rietdijk kwam werken was het gebruikelijk, dat Abram en Arendje alle nachten op een en hetzelfde bed bij elkander sliepen, uitgezonderd de 4 eerste nachten na haar bevalling. Zij heeft diverse malen als het kind in de nacht schreeuwde het moeten brengen naar Arendje, die dan bij Abram in bed lag.

Blijkbaar is Arendje Beijer meteen bij haar scheiding van tafel en bed ingetrokken bij Abram Rietdijk en heeft ze daar in 1789 al een zoon gekregen. Daar er verder geen sprake is van deze zoon (behalve in de eerste reactie van Leendert), vermoed ik dat hij vrij vroeg is gestorven.

De boodschap van de getuigen is duidelijk: Arendje Beijer heeft in ieder geval na haar vertrek uit het huis van Leendert een relatie met Abram Rietdijk gehad, bij wie ze vroeger dienstmeid was. Mogelijk wordt er tevens geïnsinueerd dat ook de tijdens het huwelijk met Leendert geboren zoon Jacob eigenlijk Abram als vader heeft: het jonge paar woonde immers na hun huwelijk in een huis dichtbij dat van Abram, dat bovendien ook bewoond werd door Arendje’s zus.

Hoe het vervolgens afliep? Arendje Beijer is op 29-1-1810 in Rotterdam is overleden als "huisvrouw van Abraham Rietdijk" en daar op 2-1-1810 ook begraven.  Haar dochter Jannetje werd uiteindelijk op 24 mei 1795 als Jannetje Beijers gedoopt. Bij de doopvermelding is toegevoegd: "zijnde een onecht kind van Arendje Beijer & Abraham Riedijk".

Doopvermelding Jannetje Beijer
Jannetje trouwde met Leendert Schuurman, kreeg een aantal kinderen, waaronder een Arentje Beijers Schuurman, en overleed uiteindelijk op 9 maart 1869 in Nieuwenhoorn.
Blijkbaar heeft Leendert Vermaat de scheiding van Arendje Beijer er vrij vlot doorgekregen. Hij hertrouwt namelijk al in 1792 met Lijntje van Rije, met wie hij 7 kinderen krijgt.

Waarschijnlijk is Arendje tijdens de scheiding ook haar obligatie op het erfdeel van Leendert kwijtgeraakt. Op 25 mei 1810 benoemen de erfgenamen van Andries Ysaaks Vermaat namelijk een aantal bemiddelaars, omdat ze het niet eens kunnen worden over de verdeling van de erfenis:

Compareren: a. Anna Jobs van den Brand, weduwe van Andries Vermaat, gewoond hebbend en op 4-8-1809 overleden onder Rugge b. dochter Jannetje Andries Vermaat, weduwe van Leendert de Baan te Rockanje, erfgename voor 1/3 deel c. zoon Leendert Andries Vermaat te Rockanje, voor 1/3 deel erfgenaam d. kleinzoons Andries Isaaks Vermaat te Rockanje en Leendert Isaaks Vermaat in Naters, samen voor 1/3 deel erfgenaam. Zij hebben onderling geen overeenstemming kunnen bereiken over de verdeling van de nalatenschap en daartoe de bemiddeling ingeroepen van Jan van Koetsveld du Crocq te Delft, Johannes van der Minne te Brielle, mr. Helenus Marius van Andel aldaar, Benjamin Vlielander te Rockanje en Hugo van Andel te Brielle. Verdeling: b. erft 38 G 111 R land in de Nieuwe Goote en onder Naters, aan te rekenen voor f 4500 c. erft de woning c.a.met 98 G 162 R onder de Kwak, zoals door hem bewoond en gebruikt, aan te rekenen voor f 19 200 d. Andries erft de tienden in Stuifakker, 9 G 209 R in de Nieuwe Gote en 4 G 267 R onder Rockanje, samen aan te rekenen voor f 2700. Leendert erft de woning c.a. onder Rockanje en Naters en in de Nieuwe Goote, samen aan te rekenen voor f 13 000. De bemiddelaars worden gemachtigd de overige boedel te liquideren. Getuigen Pieter Jacominus van Andel, Conrad Busken Huët en Hendrik Janson.

Leendert erft daarbij uiteindelijk het huis “onder de Kwak”, dat door hem al bewoond wordt, met het bijbehorende land, verreweg het grootste deel van de nalatenschap. Zijjn kinderen worden daarbij niet genoemd, ook niet de vermeende.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen