Om welke Anna het moest gaan was niet zo heel moeilijk: dat moest Anna Bartholomeuse Vermaat (1728-1789) zijn, een dochter van Bartholomeüs Philipsz Vermaat (1697-1758) en Erckje Antonisse van der Swaen (1696-1780). Wie Godfried Röhling (1724-1792) was, moest ik toen nog ontdekken.
Gedurende de jaren daarna kon ik steeds kleine stukjes informatie toevoegen. Zo vond ik een vermelding van Godfried als hoboist in de Compagnie Guardes Prins van Oranje en Nassau. En ook nog deze passage: "In de jaren-1750 werd de kern van de hofmuziek gevormd door een klein bestand van musici in vaste dienst van het hof, rond de acht man. Dankzij personeelslijsten zijn de namen van deze musici, allen Duitsers van origine, bekend. Genoemd kunnen worden de violisten Johann Friedrich Weiss (1713-1773), Johann Halbschmidt (1710-1779) en Carl Stechwey (1707-1767), de cellist Johann Jacob Müller (1709-1774), de contrabassist Johann Heinrich Gundelach (1715-1779), de hoboïst Johann Keller (1711-1784) en de fagottist Gottfried Röhling (1724-1792), benevens de klavierspeler Jan Fredrik Riehman. Müller en Gundelach speelden ook hoorn. In 1759 verschijnt een nieuwe naam op de loonlijst: Kellers zoon Johan Keller jr. (hoboïst; 1759-1782)." [Rudolf Rasch, Geschiedenis van de muziek in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden 1572-1795 deel 1, p.12].
Deze zomer kreeg ik via WieWasWie de beschikking over de lijsten van NG (Nederduits Gereformeerd, de voorloper van de Nederlands Hervormde Kerk) lidmaten in Den Haag, waarbij ik een aantal personen tegenkwam met de naam Röhling. De meest sprekende daarvan van Erkje Bartha, die, wonend in de Venestraat, in 1771 belijdenis deed en daarmee als lidmaat werd toegelaten. Die naamcombinatie is, behalve uniek, ook voor mij een bekende. Eén van de kinderen van Antonij Philipsz Vermaat (inderdaad, de peetvader van het enige mij tot dan toe bekende kind van Godfried en Anna), heet namelijk ook zo en is daarmee vernoemd naar beide grootouders van vaderszijde (Bartholomeüs en Erckje).
Hiermee kon het volgende graafwerk beginnen: de zoektocht naar de doopvermelding van Erkje. Aangezien de vermeldingen van haar leeftijd bij ondertrouw (55 jaar op 22-6-1810) en bij overlijden (58 jaar op 15-12-1813) haar geboortedatum plaatsen tussen 15 december 1754 en 22 juni 1755, zou die toch eenvoudig te vinden moeten zijn.
Dus niet. Noch in het register van de Grote Kerk, noch dat van de Nieuwe Kerk, noch dat van de Kloosterkerk en zelfs niet dat van de kerk van Scheveningen vond ik Erkje's doopvermelding. Aangezien Godfried Röhling van Duitse afkomst was, was er ook nog een mogelijkheid dat hij zijn kinderen Luthers of Hoogduits heeft laten dopen. Bij het Hoogduitse register had ik uiteindelijk geluk:
![]() |
| Doopvermelding Erkje Bartha Röhling |
Na Erkje volgden nog vermeldingen van drie andere kinderen van Godfried en Anna:





















